fbpx

‘Vraag tijdig tekeningen met warme en koude zones’

Artikel delen

‘Installateurs zijn niet alleen verantwoordelijk voor een legionellaveilige ontwerpoplossing.’ Irene van Veelen, projectcoördinator bij ISSO en betrokken bij de totstandkoming van de nieuwe CUR Aanbeveling 120 voor ‘Legionellaveilige gebouwen’, kan niet genoeg benadrukken hoe belangrijk het is dat bouwteams vroegtijdig en integraal aan de slag gaan om besmetting door legionella te voorkomen: ‘zeker met het oog op steeds beter geïsoleerde woningen en innovatieve verwarmingssystemen met voorraadboilers.’

Tekst: Foka Kempenaar, SBRCURnet
Het voldoende uit elkaar houden van verwarmingsleidingen en drinkwaterleidingen blijkt steeds lastiger.

Het realiseren van de concepten voor installaties in woongebouwen is niet meer alleen een zaak van de watertechnische installatiebedrijven. Van Veelen: ‘Omdat het voldoende uit elkaar houden van verwarmingsleidingen en drinkwaterleidingen steeds lastiger blijkt. Zelfs met alle nu beschikbare vakkennis kunnen deze experts het probleem niet meer alleen oplossen. De nieuwe CUR-aanbeveling gaat daarom vooral in op de bouwkundige randvoorwaarden om legionella-veilige leidingwaterinstallaties in gebouwen mogelijk te maken.’ Welke regels gelden er, waar gaat het mis in de praktijk en welke oplossingen biedt de nieuwe CUR-Aanbeveling?

Toetsingscriteria

Het voorkómen van ongewenste opwarming van leidingwater is een voortdurend punt van aandacht. Artikel 6.13 uit het Bouwbesluit 2012 geeft in het eerste lid aan dat een drinkwaterinstallatie moet voldoen aan NEN 1006. Nadere voorschriften voor de toepassing van materialen en eventuele chemicaliën in drinkwaterinstallaties kun je volgens het tweede lid vinden via de ministeriële Regeling Materialen en chemicaliën drink- en warm tapwatervoorziening. ‘En daarbij ligt de focus niet op bouwkundige randvoorwaarden.’
Het drinkwaterbedrijf stelt via aansluitvoorwaarden eisen aan de leidingwaterinstallatie via NEN 1006 en de bijbehorende Waterwerkbladen. Zo stelt NEN 1006 als belangrijk uitgangspunt dat de temperatuur van water in leidingdelen van de drinkwaterinstallatie ten hoogste 25°C mag zijn (art. 2.1.2). En als er niet wordt getapt, moet warm water in leidingen die geen onderdeel zijn van een circulatiesysteem binnen 45 minuten afkoelen tot een temperatuur gelijk aan of lager dan 25°C.
Naast de wettelijke eisen zijn er verschillende ISSO-publicaties waarin kennis over legionellapreventie in gebouwinstallaties is vastgelegd. Veel van deze publicaties zijn gericht op de installateur en installatie-adviseur. ‘In 2011 is echter de laatste ISSO-SBR-publicatie 811 uitgebracht waarin vooral de link naar de bouwkundige randvoorwaarden wordt gemaakt.’

Hardnekkige praktijk

De regels voor de installaties zijn, logischerwijs, van oudsher vooral bekend onder installateurs. Daardoor blijkt in de praktijk nog te vaak dat het bouwkundig ontwerp tekortschiet: ‘Vaak is er onvoldoende nagedacht over de nodige randvoorwaarden om te komen tot een legionellaveilige leidingwaterinstallatie’, aldus Van Veelen. Ze geeft een voorbeeld: ‘Een appartementencomplex voor senioren is relatief warm, ongeveer 24 tot 25 °C. Ik ben een keer in een dergelijk complex geweest waar gewerkt werd met stadsverwarming en waarbij de keuken links en de badkamer rechts van de entree lagen. Het gevolg: lange leidingen voor verwarming en drinkwater die elkaar kruisten. In een dergelijk geval was het bijvoorbeeld beter geweest om de beide natte zones aan één kant te positioneren.’

Hoe komt het dat de praktijk zo hardnekkig blijkt als het gaat om vroegtijdig afstemmen? ‘Die integrale werkwijze zit nog steeds niet in het systeem van bouwteams. Van oudsher is men gewend om eerst alles bouwkundig uit te stippelen. Veel bouwkundigen vinden installatietechnische zaken nog steeds niet ‘hun ding’.’ Naast het feit dat het veranderen van denk- en werkwijzen lastig is, kunnen eventuele ontwerpbeperkingen voor architecten ook meespelen.

Warme- en koude zones

Wie allerlei problemen achteraf wil voorkomen, doet er volgens Van Veelen goed aan om een installateur vroegtijdig om coördinatietekeningen te vragen. ‘Daar hameren we ook vanuit ISSO al langer op. Maar dit wordt – hoogstwaarschijnlijk met het oog op extra kosten – nog te weinig gedaan.’
De installateur kan op aanvraag voor elke laag (dekvloer, constructievloer, plafond) waarin leidingen zijn opgenomen een coördinatietekening maken. ‘Hierop zie je onder andere waar de warmte- en koude zones zich bevinden’, legt Van Veelen uit. Ze verwijst voor meer informatie over de elementen die deze tekeningen moeten bevatten om een legionellaveilig gebouw te realiseren, naar hoofdstuk 8 van CUR 120.

Warme en koude zones kunnen in hetzelfde vlak (bijvoorbeeld beide in de dekvloer of beide in het plafond) liggen of in verschillende vlakken (in de geïsoleerde dekvloer en in de constructieve vloer bijvoorbeeld). Als de waterzone en de warmtezone zich in verschillende vlakken bevinden, zijn er minder beperkingen voor de positie van elementen uit de waterzone en de positie van elementen uit de warmtezone. ‘Je kunt de waterzone en verwarmingszone in verschillende vlakken in hetzelfde vloerpakket realiseren, onder een aantal voorwaarden. Die vind je terug in hoofdstuk 5 van de nieuwe CUR Aanbeveling.’Als de waterzone en de warmtezone zich in hetzelfde vlak bevinden moet de installateur koele stroken vaststellen. De randvoorwaarden hierbij zijn:

  • De koele stroken vormen een aaneengesloten geheel.
  • Je schakelt koele stroken van verschillende verdiepingen via een koele leidingschacht met elkaar.
  • Je zorgt dat de koele stroken niet woningbreed zijn, zodat er ruimte is voor verwarmingsleidingen.

Bij woningen kan een aantal zoneringstypen onderscheiden worden (zie Figuur 1).

Bij het stapelen van meerdere verdiepingen met verschillende koele zones moet je de waterzones met elkaar verbinden door een aparte (koude) leidingschacht en de warmtezones door een aparte (warme) leidingschacht (zie Figuur 2). Op bestektekeningen wordt de waterzone aangegeven en bepalingen voor de hotspotvrije installatie staan in het geschreven bestek.

Bijlage A van CUR 120 geeft oplossingen met koele stroken voor verschillende modelwoningen. Voor elke woning zie je eerst het resultaat van de ontwerpfase, en vervolgens het resultaat van de uitwerkingsfase. Hierbij is steeds uitgegaan van een situatie met radiatoren verwarming. Door de relatief lage temperatuur (≤ 40°C) van de vloerverwarming en de gebruikelijke isolatie tussen constructieve vloer en dekvloer mag je waterleidingen in veel gevallen in de constructievloer aanleggen. Hierbij hoeven de waterleidingen niet in koele vloerstroken te liggen en zijn de kruisingen van vloerverwarmingsleidingen (in de dekvloer) en waterleidingen (in de constructieve vloer) toegestaan.

Is de constructieve vloer niet geschikt om leidingen in weg te werken, zoals bij een systeemvloer? Gebruik dan koele vloerstroken of werk de waterleidingen weg in de wanden. In Figuur 3 zie je een deel van het eerste voorbeeld uit deze bijlage, waarbij een voorbeeld voor een nieuwbouw tussenwoning is uitgewerkt.