fbpx

De kracht van aantallen

Artikel delen

De bouw is al met al behoorlijk ambachtelijk in vergelijking met veel andere branches. Toch bijzonder voor een branche die zo omvangrijk is. Al 50 jaar of zelfs langer wordt er veel gesproken over industrieel bouwen. Sluipend zijn we ook meer gaan prefabriceren, maar van een echte overgang naar industriële productie is nog geen sprake. Er is dus veel winst te behalen en daarover gaat deze bijdrage, met tevens een knipoog naar de inmiddels achter ons liggende vakantie.

Tekst: Jos Lichtenberg
 

Een tent opzetten gaat de tweede keer altijd aanzienlijk sneller.

Waarschijnlijk heeft u van de zomer ook weer zeer duurzaam en industrieel gebouwd. In elk geval de kampeerders onder u. Het opzetten van een tent of voortent is een super industrieel proces waarvan veel valt te leren. Als het weer te lang geleden was om automatisch te weten hoe de volgorde van monteren ook al weer precies zat, dan heeft het u vast veel tijd gekost. Er zijn mensen die halverwege weer terug naar af moeten en dat gaat niet altijd zonder gefoeter, waarbij anderen het moeten ontgelden. Ik heb het dan over familieleden die met de armen over elkaar vermakelijk zout in de wonden strooien. Al is het maar door opzichtig wijselijk hun mond te houden. De irritatie is voelbaar: ‘Wat sta je daar nou?’ Enfin, u kent het wel.
Doe je het voor de tweede keer of verplaats je je in de vakantie een paar keer en doe je het ook voor de derde en vierde keer, dan merk je dat het steeds sneller gaat. Dan is waar je eerst een uur over deed opeens in 15 minuten gepiept of nog sneller. Foeteren verandert dan in fluiten en meestal is er dan ook wel een helpende hand. De tijdwinst heeft met industriële processen te maken. In de herhaling daalt de kostprijs en daarover bestaat kennis, zodat deze daling ook kwantitatief redelijk voorspelbaar is. En even terzijde: zo’n tent is bovendien een super duurzame huisvesting met nauwelijks materiaalgebruik en een voortdurend hergebruik.

Rijtjeshuizen

Bouwers hebben in feite ook wel die ervaring. Bouwwerken in het algemeen lopen soms in het begin wat achterstand op, maar gelukkig wordt er gaandeweg ook weer wat ingelopen. Wellicht is dat vooral het effect van de druk die op een werk ontstaat, maar toch ook al het repetitie effect. Typisch repetitieve projecten zijn de rijtjeshuizen die we in grote hoeveelheden in Nederland hebben gebouwd. Zeker in de tijd dat projectgroottes van 500 woningen normaal waren, konden daar forse schaalvoordelen worden behaald.
 

‘De leercurve’. Bron: L. van Lieshout.

 

Caravans

Andersom gedacht, als je een super industrieel product als een auto per stuk zou maken, met ook maatwerk aanpassingen of zelfs helemaal per stuk gebaseerd op een klantgericht ontwerp, dan zou die auto ook niet meer € 25.000,- kunnen kosten. Waarschijnlijk zou je dan minstens in tonnen moeten denken. Trouwens, die caravan waarin u heeft gekampeerd is daarvan ook een mooi voorbeeld. Met een product gemaakt in series van honderden of duizenden per jaar bouwen deze bedrijven toch rijdende tiny houses voor, exclusief BTW, circa € 1.100,-/m2 vloeroppervlak. Dat is vergelijkbaar met woningbouwprijzen en lager dan utilitaire prijzen. En dan krijg je voor die prijs ook nog een hoogwaardige goed afgewerkte inrichting en een goedgekeurd rijdend onderstel. Zonder dat zou de prijs voor een nieuwe caravan honderden euro’s per m2 lager liggen.
Zo’n voorbeeld maakt in één klap helder hoe merkwaardig wij in de bouw bezig zijn. Hoeveel geld we moeten besteden om één m2 woon- of werkruimte te genereren, terwijl het gevoelsmatig op een industriële basis waarschijnlijk voor 30% minder ook zou moeten kunnen. Binnen slimbouwen hebben we dat ook al in de praktijk aangetoond.

Ratiobouw

In de 70-er jaren was dit al een hot item. Destijds had je een stichting Ratiobouw die rapporten uitbracht over het repetitie effect. Dat was wel in de tijd van 500 woningen in een project. Niet dat we die kennis destijds grootschalig omarmden en er massaal naar gingen handelen, maar inmiddels lijkt het een compleet vergeten inzicht. Destijds (circa 1975) heb ik als student nog aan een onderzoek meegewerkt om te achterhalen wat een woning zou kosten als je de totale Nederlandse productie (destijds nog 100.000 stuks per jaar!) in een fabriek zou produceren. We deden dat met ondersteuning van DAF in Eindhoven waarmee een productielijn werd ontworpen en begroot. De woningen waren functioneel gelijkwaardig, maar wel met andere materialen gerealiseerd, zoals staal en kunststoffen. Met name omdat daarvoor hoogwaardige productietechnieken beschikbaar waren. Destijds was kortweg de conclusie dat een dergelijke woning orde grootte 28.000 gulden zou kosten, waar dezelfde woning in traditionele technieken destijds voor circa 65.000 gulden over de toonbank ging. Ruim 55% goedkoper derhalve.
 

Boven: Polynormwoning in aanbouw. Onder: Hermontage van een in het kader van een onderzoek door studenten veilig gesteld exemplaar, nu gesitueerd op het TU/e terrein.

 

Polynorm

En wij waren de eerste niet. Al vóór WO II waren er in Engeland ontwikkelingen om industrieel te bouwen. Staal was daarbij een belangrijk gegeven. Maar met de komst van de oorlog werd het staal opgeëist en kon men de daarbij behorende schaarsteprijzen niet meer betalen. Na WO II was er vanwege de grote vraag en aantallen wel opnieuw een aantal visionairs die systemen ontwikkelden. Eén van hen was Alexandre Horowitz, voor de oorlog bij Philips uitvinder van onder andere de Philishave, na de oorlog initiatiefnemer van het bedrijf Polynorm, dat begin 50-er jaren woningen produceerde. In Eindhoven stonden er tot voor kort nog ruim 200, maar met een recente revitaliseringsoperatie hebben die plaats moeten maken voor minder industriële bouwsels.
Ik sta werkelijk perplex als ik bij een nul-op-de-meter project ook grote aannemers de eerste proefwoning als een project zie behandelen het daarmee ook direct kapot rekenen. Een dergelijk project vraagt om een industriële benadering en het is domweg niet fair om je eerste klant op te laten draaien voor jouw leereffect. Want dat is het. Zou je diezelfde woning bijvoorbeeld tien keer mogen herhalen, dan dalen de kosten aantoonbaar met tientallen procenten.

Boomhutten

Een mooi voorbeeld is ook een ervaring van ZBO Bouw BV; een aannemer uit Veghel, die in 2013 de bijzondere opdracht kreeg om enkele tientallen boomhutten te bouwen voor RCN, een pretpark organisatie (om maar in de vakantiesfeer te blijven). De laatste boomhut is voor 55% van de kosten van de eerste gerealiseerd. De aannemer heeft dit effect vooraf moeten inschatten en daarop was zijn prijs gebaseerd, anders had hij de opdracht ook niet gekregen. Dat vereist dan wel moed en inzicht omdat de eerste boomhutten, overigens geheel volgens plan, met verlies werden geproduceerd. Het eindigde met 45% goedkoper.
 

Boomhutten.

 

Theorie

Nu is de theorie wel wat genuanceerder. Zo staat de bouw bekend als een bedrijfstak waarin we steeds prototypes bouwen. Dat is maar deels waar, want of je nu in het ene project een kalkzandsteen wand metselt of in het andere, de handelingen zijn circa gelijk. Er zit dan ruimte bij het opstarten, maar het metselen zelf is in wezen al een hoog repetitieve handeling. Het is duidelijk dat als je al veel gestandaardiseerd hebt, dat er dan minder winst valt te behalen dan wanneer dit niet het geval is. Het zal ook duidelijk zijn dat het voor tijdwinst anders ligt dan voor de inkoop van materialen en producten.
Voor diverse sectoren is het repetitie effect onderzocht. Men drukt dit uit in het percentage van de kosten na verdubbeling van productie. Dat blijkt namelijk in de analyses een betrouwbare factor te zijn. Zo blijkt dit percentage voor de vliegtuig- en scheepsbouw op 80-85% te liggen (dat betekent dus dat bij een verdubbeling van productie hier het voordeel orde 15-20% is). Voor de machinebouw ligt het tussen 75-85%, bij activiteiten met reeds veel repeterende handelingen ligt het op 90-95%. Voor de inkoop van producten kun je rekenen met 85-88%. Met andere woorden: voor tien woningen koop je 12-15% gunstiger in dan voor vijf woningen.

Links en rechts ingehaald

Er valt dus nog veel te halen en als we in onze wereld blijven denken dat de klant onze prototype prijzen blijft betalen dan hebben we het mis. Dan worden we een keer overvleugeld door industriële producenten uit een andere sector, zoals uit de scheepsbouw. Zeker zodra die het hard te halen hebben op de wereldmarkt waarop zij opereren en wij tegelijkertijd de capaciteit niet meer hebben om de groeiende marktvraag te bedienen. En dat is eigenlijk wat nu behoorlijk aan de hand is, toch? Als nu je onderneming op bouwactiviteiten drijft is het moment aangebroken om te innoveren. Ik zie het als een geweldige kans. Je kunt ook wachten tot je links en rechts wordt ingehaald. Op een gegeven moment mag je dan heel lang met vakantie.

Referenties:

•    Lichtenberg, Jos (2013), ‘Polynorm, ontwikkeling van een massaproductie voor een nog niet ontwikkelde markt’, Kennisbank Bestaande Woningbouw, geraadpleegd 6 augustus 2017 (Woningbouwhttp://www.bestaandewoningbouw.nl/polynorm-ontwikkeling-van-een-massaproductie-voor-een-nog-niet-ontwikkelde-markt/)
•    Bouwmeester, H; G. Timmermans, J. Post (2006) ‘Woningen uit de fabriek, de woningen van Polynorm TU Eindhoven’, ISBN 90-6814-162-7
•    Lichtenberg, J.J.N. (2002) ‘Ontwikkelen van Project Ongebonden Bouwproducten’, ISBN 90-9015599-6, Proefschrift

Jos Lichtenberg is emeritus Hoogleraar Productontwikkeling. Hij richt zich onder andere via Off Road Innovations (www.offroadinnovations.nl) op het helpen van bedrijven en opdrachtgevers die innovatie overwegen en daarin tegen knelpunten aanlopen. Tevens is hij voorzitter van de stichting Slimbouwen