Bouwen en netcongestie: hoe je een project niet laat stranden op het elektriciteitsnet
Het is inmiddels een vertrouwd struikelblok in de bouw: een project is technisch rond, de vergunning is binnen, de planning staat, en dan blijkt dat de netbeheerder geen aansluiting kan leveren. Of niet op tijd. Of niet met de gevraagde capaciteit. Netcongestie is in korte tijd uitgegroeid van een randfenomeen tot een serieus risico in projectontwikkeling, zowel voor utiliteit als voor woningbouw.

Dat vraagt om een andere manier van denken. Niet pas nadenken over energie als het pand er staat, maar energie als ontwerpparameter meenemen vanaf het eerste potloodstreepje.
Hoe is het zo ver gekomen?
Het Nederlandse elektriciteitsnet is decennialang ontworpen voor een wereld die er niet meer is. Stroom werd centraal opgewekt in grote centrales en via het hoogspanningsnet verdeeld naar eindgebruikers. Die eindgebruikers verbruikten, maar leverden niets terug. Dat model is in relatief korte tijd volledig op zijn kop gezet.
Zonnepanelen op daken van bedrijfspanden en woningen injecteren op zonnige middagen grote hoeveelheden stroom het net in. Laadpalen voor elektrisch vervoer trekken op drukke momenten pieken die lokale kabels niet aankunnen. Warmtepompen vervangen gasketels en worden nu door honderdduizenden huishoudens tegelijk aangezet als het buiten koud wordt. De netbeheerders kunnen de vraag naar verzwaring fysiek niet bijhouden, simpelweg omdat de productiecapaciteit van transformatoren, kabels en schakelinstallaties niet oneindig opgeschroefd kan worden.
Het gevolg is een wachtrij bij Liander, Stedin en Enexis die in sommige regio’s oploopt tot meerdere jaren. Voor projecten die afhankelijk zijn van een zware aansluiting is dat geen theoretisch probleem meer.
Wat betekent dit voor nieuwbouw en transformatieprojecten?
Bij woningbouw speelt het op twee manieren. Ten eerste de aansluiting van het project zelf: een nieuwbouwwijk met all-electric woningen heeft een substantieel hogere piekbelasting dan een vergelijkbare wijk met gasaansluitingen. Ten tweede de individuele woningen: ook al ligt er straks een netaansluiting, dan nog wil de toekomstige bewoner misschien zonnepanelen terugleveren of een laadpaal aansluiten. Beide vragen capaciteit.
Bij utiliteitsprojecten is het probleem vaak groter en concreter. Een distributiecentrum met tientallen laadpunten voor elektrische heftrucks, een datacenter, een zorginstelling met een grote cv-vervanging of een bedrijfshal met een forse zonnedakinstallatie: allemaal gebruikers die vroeger een relatief kleine aansluiting nodig hadden en nu opeens een heel ander profiel hebben.
Projectontwikkelaars en aannemers die dit niet tijdig in beeld hebben, lopen het risico dat een pand klaar is maar niet in gebruik genomen kan worden. Dat is een financieel en planningsrisico dat steeds vaker ook in contracten en aansprakelijkheidsdiscussies opduikt.
Opslag als sleutel
Een van de meest praktische manieren om netcongestie te omzeilen of te verlichten is lokale energieopslag. De gedachte is simpel: als je de piekbelasting op het net kunt afvlakken door energie op te slaan als het aanbod groot is en die opgeslagen energie te gebruiken als de vraag hoog is, heb je minder netcapaciteit nodig. Een zakelijke batterij kan die bufferfunctie vervullen. In de praktijk werkt dat goed bij bedrijfspanden met een eigen zonnedakinstallatie, maar ook bij panden zonder eigen opwek kan een batterij de netaansluiting ontlasten door slim te laden in daluren en te ontladen in piekuren.
Voor projecten waar netcongestie een directe belemmering vormt, zijn er inmiddels concrete netcongestie oplossingen beschikbaar die verder gaan dan alleen opslag. Denk aan energiemanagementsystemen die het verbruik van installaties dynamisch sturen op basis van de beschikbare netcapaciteit, of contractvormen waarbij een bedrijf afspraken maakt met de netbeheerder over maximaal vermogen in ruil voor een snellere aansluiting.
Integreer energieopslag in het ontwerp
De verschuiving die nu plaatsvindt, is dat energie opslag systemen niet meer als een optionele toevoeging worden gezien, maar als onderdeel van de technische installatie van een gebouw. Net zoals je een transformatorruimte of een HV-kast inplant, plan je nu ook de ruimte en de infrastructuur voor een batterijsysteem in. Dat vraagt om afstemming tussen de installateur, de constructeur en de projectontwikkelaar, liefst al in de ontwerpfase.
Concreet betekent dat: ruimte reserveren voor de batterijkast of een aparte techniekruimte, rekening houden met koeling en ventilatie, de juiste kabeldiameters al in de basisinstallatie opnemen en de aansluiting op het energiemanagementsysteem van het gebouw voorbereiden. Wie dat later wil toevoegen betaalt twee keer.
Vroeg beginnen loont
De netbeheerders hebben inmiddels tools beschikbaar waarmee je per postcode kunt checken wat de congestiesituatie is. Dat is nuttige informatie die je al in de haalbaarheidsanalyse van een project kunt meenemen. Als blijkt dat een locatie in een congestiegebied ligt, kun je in het ontwerp al anticiperen op een kleinere of gefaseerde aansluiting, aangevuld met lokale opslag en slim energiemanagement.
Dat vraagt wel dat energie niet langer de verantwoordelijkheid is van alleen de installateur aan het eind van het traject. Het is een ontwerpvariabele geworden die op dezelfde manier behandeld moet worden als constructie, brandveiligheid of akoestiek: vroeg in het proces, met alle betrokken partijen aan tafel.
De bouwsector heeft dat voor elkaar gekregen met andere complexe eisen. Netcongestie is het volgende vraagstuk dat om die aanpak vraagt.