Achterstanden infrastructuur vragen om scherpere investeringskeuzes
Achterstanden bij bruggen, viaducten en sluizen kunnen Nederland in de periode 2026–2035 ruim € 20 miljard aan economische schade kosten. Dat concludeert het Economisch Instituut voor de Bouw (EIB). Extra geld is nodig, maar volgens het instituut moeten overheden ook scherper kiezen welke projecten en ambities het meeste opleveren voor de bereikbaarheid. Die afweging raakt ook de woningbouw.

Een betrouwbare aanvoer van bouwmaterialen, medewerkers die op tijd op de bouwplaats komen en goed ontsloten nieuwbouwwijken: de bouw kan niet zonder functionerende infrastructuur. Juist die betrouwbaarheid staat onder druk, blijkt uit het rapport ‘De kwaliteit van de mobiliteitsinfrastructuur’. Het EIB onderzocht vooral wegen en vaarwegen van het Rijk. De studie is uitgevoerd in opdracht van de Logistieke Alliantie, in samenwerking met VNO-NCW/MKB-Nederland en NGinfra.
Uitstel krijgt een prijs
De geraamde schade van ruim € 20 miljard ontstaat wanneer noodzakelijke vervanging en renovatie onvoldoende van de grond komen. Verkeersbeperkingen leiden tot omrijden, langere reistijden en minder betrouwbare verbindingen. Het bedrag betreft bestaande én verwachte knelpunten bij uitblijven van aanvullend beleid.
Vooral het langdurig wegvallen van belangrijke brugverbindingen is kostbaar. Tijdelijke versterking kan bij een deel van de betonnen bruggen en viaducten tijd winnen, maar uiteindelijk blijft vervanging nodig. Daarnaast raamt het EIB de extra maatschappelijke kosten van uitgesteld onderhoud tot 2035 op circa € 2,5 miljard. Naarmate onderhoud langer wordt doorgeschoven, worden herstelmaatregelen ingrijpender en neemt de hinder toe.
Nieuwe aanleg blijft relevant
Alle beschikbare middelen naar onderhoud verschuiven en nieuwe aanleg stilzetten, is volgens het EIB geen goede algemene strategie. De negentien onderzochte gepauzeerde wegen- en vaarwegenprojecten vertegenwoordigen samen een investering van circa € 6,4 miljard. Daartegenover staan € 9 tot € 12 miljard aan maatschappelijke baten, berekend over de lange termijn.
Die bedragen zijn dus niet rechtstreeks vergelijkbaar met de schade tot 2035. Wel onderstrepen ze dat ook uitbreiding waarde kan hebben. De verschillen tussen projecten zijn groot. Het EIB bepleit daarom een beoordeling per project, op basis van maatschappelijke kosten en baten.
Meer geld, beperkt resultaat
De knelpunten zijn volgens het instituut niet uitsluitend het gevolg van te lage uitgaven. Tussen 2017 en 2025 stegen de rijksuitgaven aan wegen en vaarwegen gemiddeld met 7,7% per jaar. Na correctie voor gestegen bouwkosten resteert ongeveer 3% jaarlijkse groei.
Die extra middelen hebben zich volgens het EIB onvoldoende vertaald in betere bereikbaarheid. Het wijst op hoge proceskosten en de stapeling van eisen aan onder meer inpassing, duurzaamheid en circulariteit. Zulke ambities vragen budget dat ook nodig is voor de kernfunctie van infrastructuur.
Woningbouw vraagt bredere afweging
Ook de keuze voor grootschalige woningbouwlocaties in combinatie met hoogwaardig openbaar vervoer legt volgens het EIB een groot beslag op infrastructuurmiddelen. Daarmee raakt de discussie rechtstreeks aan het ruimtelijk beleid: locatiekeuzes en ontsluiting moeten in samenhang worden beoordeeld.
Het instituut pleit voor extra investeringen én een doelmatiger besteding. Voor bouwers en ontwikkelaars onderstreept de studie daarmee het belang van bereikbaarheid bij gebiedsontwikkeling. Niet alleen de nieuwe ontsluiting telt mee; ook de beschikbaarheid van bestaande routes bepaalt of een locatie goed bereikbaar blijft.
Bron: EIB