De vier V’s van een bouwplaats
In de politiek zijn we dol op stoere taal. Het is dan ook niet verrassend dat de nieuwste reddingsboei voor de woningmarkt de afkorting STOER heeft meegekregen: Schrappen Tegenstrijdige en Overbodige Eisen en Regelgeving. Het klinkt alsof er een politieke sloophamer door het oerwoud van de Omgevingswet gaat. En laten we eerlijk zijn: die sloophamer is meer dan welkom. Wie tegenwoordig een woningbouwproject van de grond wil tillen, moet een halve bibliotheek aan regelgeving op de achterbank meeslepen.
Toch bekruipt me bij elk nieuw programma een ongemakkelijk gevoel. Want hoe hard je ook slaat met die sloophamer, de praktijk is weerbarstiger. In de bouw kampen we met een dieperliggend probleem dat zich niet zomaar laat wegschuren. Ik noem het de vier V’s: Voorspelbaarheid, Vereenvoudiging, Vertrouwen en Verwachting.
Laten we beginnen bij Voorspelbaarheid. In de bouw rekenen we in decennia. Een project van de eerste schets tot de uiteindelijke sleuteloverdracht duurt in dit land al snel tien jaar. De politiek daarentegen rekent in termijnen van vier jaar. We hebben een overheid nodig die niet telkens de spelregels verandert tijdens de wedstrijd. Of het nu gaat om stikstofnormen of technische eisen: stop met het jojo-beleid. Rust in de tent geeft de sector de stabiliteit die nodig is om te investeren. Een visie moet langer meegaan dan een coalitieakkoord.
Dan de Vereenvoudiging. STOER is een begin, maar het is dweilen met de kraan open als we de ‘incidentpolitiek’ niet aanpakken. Zodra er ergens iets misgaat – een balkon dat verzakt of een isolatiemateriaal dat tegenvalt – schiet de reflex in de kramp. “Dit mag nooit meer gebeuren”, roepen we in koor, waarna er onmiddellijk een nieuwe laag regels wordt uitgestort. Deze risico-regelreflex creëert een verstikkende schijnveiligheid. We regelen de sector letterlijk de vernieling in omdat we elk risico willen dichtvinken.
Daarvoor is de derde V cruciaal: Vertrouwen. Vertrouwen betekent volgens mij ook accepteren dat er weleens iets fout mag gaan. Dat klinkt eng, maar het is de enige weg uit de juridische loopgraven. Als we elke fout beantwoorden met een nieuw wetboek, bouwen we straks alleen nog maar dikke dossiers in plaats van betaalbare huizen. We moeten terug naar een basisvertrouwen in het vakmanschap van de bouwer, in plaats van alles te willen controleren met een leger aan inspecteurs.
De laatste V is misschien wel de lastigste: Verwachting. We hebben de maatschappij wijsgemaakt dat iedereen over alles een vetorecht heeft. Natuurlijk moeten buren meepraten, maar participatie is inmiddels verworden tot een eindeloze vertragingstactiek. De buurt-WhatsApp stroomt al over van de bezwaren voordat de eerste bouwtekening definitief is. We moeten de verwachtingen managen: participatie is meedenken aan de voorkant, maar het betekent niet dat je de voortgang van een heel land kunt gijzelen omdat je uitzicht verandert.
Stop met de illusie dat we de wereld zonder risico kunnen dichtregelen. Heb het lef om die stoere sloophamer te gebruiken. Maar heb vooral de ruggengraat om niet in de kramp te schieten bij het eerste het beste incident. Bouwen is voor mij vooruitkijken met een rechte rug. Dat gaat een stuk makkelijker als je niet constant over je eigen regelgeving struikelt.
Arap-John Tigchelaar, wethouder gemeente Ermelo