Wonen is een recht, geen vanzelfsprekendheid
“Mijn kind wil ook een huis.” Die uitspraak lees ik regelmatig op sociale media zodra er weer een bericht verschijnt over de huisvesting van statushouders. En eerlijk is eerlijk: ik begrijp de emotie. Want de krapte op de woningmarkt is groot en raakt velen. Jongeren die niet loskomen van het ouderlijk huis, gescheiden mensen die geen betaalbare woning vinden, ouderen die wel wíllen doorstromen maar geen passende woning zien. De woningnood is voelbaar, dichtbij en menselijk.
De krapte op de woningmarkt is niet ontstaan omdat er statushouders worden gehuisvest. Die verplichting van gemeenten is slechts één radertje in een veel groter geheel. De werkelijke oorzaken liggen in jarenlange onderproductie, stijgende bouwkosten, ingewikkelde procedures én – laten we eerlijk zijn – onze eigen houding. We willen wél meer woningen, maar liever niet in onze eigen achtertuin.
Het bekende NIMBY-gedrag (‘Not In My Back Yard’) zorgt ervoor dat projecten vertragen of zelfs sneuvelen. Geluid, uitzicht, verkeer, groen: er is altijd wel iets dat een plan in de weg zit. Begrijpelijk, maar het houdt de woningnood in stand. En zolang we bouwen als een bedreiging blijven zien in plaats van als een oplossing, verandert er weinig.
Samen verantwoordelijk
Onze Grondwet zegt in artikel 22, lid 2: ‘Bevordering van voldoende woongelegenheid is voorwerp van zorg der overheid.’ Dat betekent dat de overheid een zorgplicht heeft: ze moet zich inspannen om voldoende woonruimte te creëren. Maar het is géén afdwingbaar recht. Niemand kan naar de rechter stappen om een woning op te eisen. Wonen is dus een gezamenlijke verantwoordelijkheid. De overheid moet zorgen voor voorwaarden, maar burgers spelen zelf ook een rol: door keuzes te maken, door te verhuizen naar waar wél plek is, of door ruimte te bieden aan nieuwe vormen van wonen.
We zien bovendien dat jongere generaties anders naar werk en wonen kijken. Voor veel jongeren is werk een middel, niet het doel. Ze willen zingeving, balans, vrijheid; allemaal waardevolle dingen. Maar een huis komt niet vanzelf aanwaaien. Het vergt inzet, sparen, soms concessies doen. Tien jaar sparen terwijl je nog thuis woont, een baan kiezen die financiële zekerheid biedt, of verhuizen naar een regio met meer aanbod; het zijn keuzes die niet altijd leuk zijn, maar wel helpen. De inschrijfduur in Lelystad is bijvoorbeeld de helft van die in Ermelo.
Ook ouders hebben hierin een rol. Niet alleen door te helpen sparen of een familiehypotheek te verstrekken, maar ook door zelf door te stromen. Wie eengezinswoningen bezet houdt terwijl de kinderen al jaren uit huis zijn, houdt letterlijk ruimte bezet die anderen hard nodig hebben. Dat vraagt om lef en solidariteit. Durven loslaten wat vertrouwd is, zodat anderen kunnen beginnen.
Naar ‘ons wonen’
Gelukkig ontstaan er steeds meer initiatieven: flexwonen, tijdelijke woningen, wonen in de achtertuin. Oplossingen die passen bij deze tijd, waarin ruimte schaars is en we creatief moeten omgaan met wat er wél is. Ik denk dat het NIMBY-gevoel verdwijnt zodra het om eigen familie gaat: een woonunit voor je kind in de tuin? Prima. Maar als de buurman hetzelfde doet voor iemand anders kan het ineens een discussiepunt worden. Daar ligt precies onze uitdaging: van mijn huis, naar ons wonen.
Wonen is een recht, maar geen vanzelfsprekendheid. Het vraagt om actie van de overheid én verantwoordelijkheid van ons allemaal. Zolang we vooral wijzen naar anderen – de overheid, de buren, of de statushouders – lossen we de woningnood niet op. Pas als we bereid zijn om te bouwen, te delen en te bewegen, creëren we echt ruimte. Ruimte om te wonen, maar ook om elkaar weer wat meer te gunnen.