fbpx

Rolstoelen in monumenten; respectvol binnenrollen

Artikel delen

Wie een oud gebouw bezoekt met een rolstoel is blij met een hellingbaan of een lift. Maar dergelijke voorzieningen kunnen het gebouw behoorlijk ontsieren. Hoe maak je een monument respectvol toegankelijk voor rolstoelen?

Het lijkt wel een goocheltruc. Net was het nog een trap. En nu opeens vormen de hardstenen treden naar het souterrain van Museum Het Grachtenhuis gezamenlijk een plateaulift. Zo komen de mensen met een rolstoel binnen. Dat geldt ook voor de bezoekers die van een rollator, een looprek of krukken gebruikmaken. Het Amsterdamse rijksmonument uit 1665 is een paar jaar geleden met respect voor het gebouw aan rolstoelen aangepast. Want er is vaak meer mogelijk dan je denkt.

De plateaulift voor Oud-Ameliswaard verdwijnt na gebruik weer geheel in de straat.

Er zijn tegenwoordig voorzieningen op de markt die optimaal recht doen aan monumenten die fungeren als school, gemeentehuis, werkplek, restaurant, winkel of museum. Openbare gebouwen dus. Wat is het alternatief voor een nieuwe lift die zich dwars door historische vloeren een weg naar boven baant? Hem buiten tegen een achtergevel bouwen? Hoe voorkom je dat trapliften fraaie trappen ontsieren? En wat te doen met afstapjes en hoge drempels? De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed schrijft hier momenteel een brochure over. Aanpassingen zijn vaak goed mogelijk. Ze vergen wel fijngevoeligheid. Het is namelijk belangrijk om in ogenschouw te nemen welke aspecten van het gebouw zijn cultuurhistorische waarde bij uitstek vertegenwoordigen. Het gaat om de balans. Hoe zorg je ervoor dat oud en nieuw goed samengaan?

Dezelfde hoofdentree

Mensen in een rolstoel maken graag van dezelfde hoofdentree gebruik als andere bezoekers. Soms is dat nu nog een ondergeschikte ingang. Zo’n alternatieve route betekent vaak dat de rolstoelgebruikers niet binnenkomen bij de ontvangstbalie, de garderobe of de start van een tentoonstelling. Dat is jammer. Daarom kreeg het Academiegebouw uit 1891 van de Universiteit Utrecht twee hellingbanen bij de hoofdentree. De bestrating van het voorplein zet zich erop voort, en ze vlijen zich zo natuurlijk tegen de twee vleugels van het gebouw aan dat het net lijkt of ze er altijd al gelegen hebben. Niet ver vandaar, voor de deur van buitenhuis Oud-Amelisweerd bij Bunnik, dat in 1770 gebouwd is, zouden dergelijke hellingen echter niet goed gepast hebben. Om de paar treden voor de ingang te overbruggen is er daarom nu een plateaulift aangebracht, die na gebruik weer geheel in de straat verdwijnt.

Het lijkt net of de hellingbanen voor het Academiegebouw van de Universiteit Utrecht er altijd al gelegen hebben.


De meeste rolstoelers bewegen zich bovendien graag zelfstandig door een gebouw, zonder al te veel op te vallen. Daarom heeft het Stedelijk Museum in Amsterdam onlangs in het oude gedeelte uit 1895 een plateaulift vervangen. Deze waarschuwde omstanders met licht en geluid zodra zij in werking trad. De gebruiker trok daarmee ongewenst veel aandacht. De nieuwe lift gaat zonder dergelijke signalen omhoog en omlaag. Ander voorbeeld: voormalig zendstation Radio Kootwijk op de Veluwe. Dat is een prachtig art deco-gebouw uit 1923. Er worden vandaag de dag regelmatig evenementen in georganiseerd. Om met een rolstoel boven te komen zakt een deel van de tegelvloer naar beneden, afgeschermd door een glazen balustrade. Ook deze plateaulift is haast onzichtbaar weggewerkt.

Gelijkvloers

Hoewel het prachtig is dat dergelijke voorzieningen tegenwoordig bestaan, is het zaak om voor de aanleg daarvan eerst goed naar het gebouw te kijken. Hoe valt het monument zo goed mogelijk te benutten opdat grote ingrepen achterwege kunnen blijven? Bijvoorbeeld door de zaken waar alle bezoekers, met of zonder rolstoel, toegang toe zouden moeten hebben zo veel mogelijk in gelijkvloerse ruimten te organiseren. Ga bovendien uit van het principe dat niet ieder deel van het monument voor iedere bezoeker toegankelijk hoeft te zijn. Pas wanneer dat niet mogelijk is, kun je voor rolstoelvoorzieningen kiezen. Op die manier pakte Museum Ons’ Lieve Heer op Solder in Amsterdam het aan. Een paar maanden geleden is deze ongeschonden, zeventiende-eeuwse schuilkerk uitgebreid met een entreegebouw en een ondergrondse passage.

Rolstoelgebruikers staan in het nieuwe deel via een tablet met beeld en geluid in contact met de rest van het gezelschap die het museum bezichtigt. Er is namelijk bewust voor gekozen om het oude huis niet voor rolstoelen toegankelijk te maken. De daarvoor noodzakelijke aanpassingen zouden een te grote inbreuk vormen op het smalle grachtenpand, waarin niet al te brede houten trappen de verdiepingen verbinden. Het gebouw zelf is immers de bezienswaardigheid. Janine Huizenga van het bedrijf Creative Cooperative ontwierp een applicatie die mogelijk maakt dat de bezoekers ‘gezamenlijk een nieuwe museale ervaring beleven’. Huizenga: ‘De informatie op de tablet is uitgebreider dan de uitleg die de bezoeker in het huis krijgt. Door de uitwisseling van de kennis over en weer ontstaat voor beiden een nieuwe ervaring. Ook andere musea zijn al geïnteresseerd.’

Communiceren

Wanneer een gebouw niet geheel voor rolstoelen toegankelijk is, valt het aan te raden dat goed te communiceren. Dat doet Paleis Het Loo bij Apeldoorn bijvoorbeeld, gebouwd rond 1690. Bezoekers met een rolstoel kunnen sommige vertrekken niet in en de grindpaden rondom het paleis zijn voor hen niet ideaal. Dat geeft de organisatie duidelijk op haar website aan, zodat iedereen dat voor zijn bezoek al kan weten.
Ook de beheerders van Kasteel De Haar, bij Utrecht, schrijven op hun website dat het kasteel niet toegankelijk is voor rolstoelen. Vanwege de smalle trappen is tijdens een rondleiding voor rolstoelers alleen het souterrain toegankelijk. Paleis Soestdijk vermeldt dat rolstoelen die groter zijn dan 90 bij 120 centimeter niet in de lift passen en dat hun eigenaren daarom helaas niet deel kunnen nemen aan een bezoek aan het paleis. Op deze manier stemmen Het Loo, De Haar en Soestdijk de verwachtingen van het publiek af op de mogelijkheden van het gebouw.

Judith Kuipéri is zelfstandig onderzoeker en Dirk Snoodijk is eindredacteur bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, kuiperijudith@gmail.com & d.snoodijk@cultureelerfgoed.nl. Nadere informatie: Ben Kooij, specialist bouwhistorie bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, b.kooij@cultureelerfgoed.nl.