Is biobased isolatie altijd meest duurzame keuze?

Natuur & Milieu heeft in samenwerking met ASN Bank onderzoek gedaan naar de potentie van biobased isolatie in de bouw. Conclusie: biobased isolatiematerialen, zoals houtvezelisolatie en stro, zijn uitstekende vervangers van kunststofschuim isolatie en minerale wol, want ze stoten minder CO2 uit in productie en slaan zelfs CO2 op. BouwTotaal kreeg reactie van Saint-Gobain Construction Products Nederland B.V., producent van zowel biobased isolatie als minerale wol: “MKI’s en ongewogen impactcategorieën geven aan dat dit niet overeenkomt met gemeten data.”

Tekst: ing. Frank de Groot
Beeld: Saint-Gobain Construction Products Nederland B.V.

Toepassing van houtvezelisolatie in houtskeletbouwelement tijdens productie

Toepassing van houtvezelisolatie in houtskeletbouw element.

‘Potentie biobased isolatie onvoldoende benut’, was de belangrijkste conclusie van onderzoek van Natuur & Milieu in samenwerking met ASN Bank. In BouwTotaal nr. 4 van dit jaar, hebben we aandacht besteed aan de uitkomsten van dit onderzoek. Zo wordt geconstateerd dat voor het verduurzamen van gebouwen de komende jaren een enorme hoeveelheid isolatiemateriaal nodig is. Zo is er in de afgelopen jaren gemiddeld 28 miljoen vierkante meter aan isolatiemateriaal per jaar toegepast (RVO 2023). Dat is meer dan tien voetbalvelden per dag; een hoeveelheid die de komende jaren alleen maar zal stijgen. Nu nog domineren kunststofschuim, glas- en steenwol de markt. Bij de productie van die materialen wordt veel (fossiele) brandstof gebruikt en komt veel stikstof vrij. Volgens het onderzoek zijn echter biobased isolatiematerialen, zoals houtvezelisolatie en stro, uitstekende vervangers. ‘Want die stoten minder CO2 uit in productie en slaan zelfs CO2 op.’

In het overheidsprogramma ‘Nationale Aanpak Biobased Bouwen’ staat dat over vijf jaar (2030) van alle na-isolatie in de bestaande woningbouw 30 procent biobased moet zijn. Uit het onderzoek van Natuur & Milieu blijkt dat biobased materialen nu een klein gedeelte vormen van de omzet van isolatiebedrijven. Veel bedrijven hebben (nog) onvoldoende kennis over biobased materialen. Ze twijfelen daardoor aan de kwaliteit en nemen soms hogere marges om veronderstelde risico’s af te dekken.

“In dit onderzoek wordt een aantal uitspraken gedaan, die niet overeenkomt met geverifieerde data en zelfs het tegendeel bewijzen”, zegt Rogier Stoker, Solution specialist Isover bij Saint-Gobain Construction Products Nederland B.V. Is dit preken voor de eigen parochie? “Nee, want Saint-Gobain produceert zowel minerale wol, als houtvezel- en katoenisolatie. Hierdoor kunnen wij objectief een vergelijking maken.”

Isoleren bespaart CO2

Rogier Stoker van Isover geeft toelichting over duurzaamheid van isolatiematerialen

Rogier Stoker: “Bij de productie van houtvezelisolatie wordt per m2 isolatie méér CO2 uitgestoten dan bij een m2 glas -of steenwol. Kijk altijd naar de gehele levenscyclus.”

Alvorens dieper in te gaan op de CO2-uitstoot van isolatiematerialen, merkt Rogier op dat isoleren leidt tot energiebesparing: “Isolatie produceren leidt weliswaar tot een uitstoot van minder of meer CO2, maar isoleren van gebouwen resulteert in een verlaging van de CO2-uitstoot voor verwarming en koeling van binnenruimten. Met een goede isolatie van een gebouw met glaswol heb je na vijftig jaar honderd keer meer CO2-uitstoot bespaard dan dat de productie heeft veroorzaakt.”

Rogier wijst erop dat de bouw verantwoordelijk is voor circa 40% van de CO2-uitstoot, wereldwijd. “Je hebt elkaar nodig om die CO2-uitstoot terug te dringen. Een product kan voordelen hebben in de productiefase, gebruiksfase of aan het einde van de levenscyclus. Zo kun je staal bijvoorbeeld oneindig recyclen, maar heeft het een hoge CO2-uitstoot in de productiefase. Hout daarentegen heeft een veel lagere CO2-uitstoot in de productiefase, maar is weer veel minder goed te recyclen dan staal. Maar om een goed beeld te krijgen is een analyse nodig van de totale levenscyclus: de LCA.”

Milieuprestatieberekening

Om duiding te geven aan de milieuprestaties van isolatieproducten, is het nodig eerst inzage te geven in de methodiek die wordt gebruikt om de milieubelasting van een product te berekenen. Het berekenen van de MPG (Milieu Prestatie Gebouwen) is in de B&U-sector verplicht volgens het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). De MPG wordt berekend aan de hand van de levensduur van een gebouw, de BVO en de Milieu Kosten Indicator (MKI). De milieuprestatie geeft aan wat de milieubelasting van een bouwwerk is; hoe lager de MPG-score, hoe duurzamer het gebouw. De score wordt uitgedrukt in euro per vierkante meter bruto vloeroppervlak (BVO) per jaar. Zo is de maximale MPG voor nieuwe woningen momenteel 0,8.

De milieu-impact van een product wordt weergegeven in een EPD. Dat staat voor Environmental Product Declaration. Producten met een EPD kunnen worden opgenomen in de Nationale Milieudatabase, met een categorie 1 milieuverklaring. Deze is vijf jaar geldig, daarna is een update nodig van de LCA. Rogier adviseert producenten te streven naar categorie 1 en 2 kaarten in de NMD: “Dat zijn milieuverklaringen die worden aangeleverd door fabrikanten (1) of het betreft merkongebonden data van groepen van fabrikanten en/of toeleveranciers en branches (2). De data van deze EPD’s zijn gecontroleerd. Bij Categorie 3 is er sprake van  milieuverklaringen die zijn gebaseerd op generieke milieudata die door de NMD-beheerder worden opgesteld voor productgroepen waarvoor nog geen categorie 1 of 2 milieuverklaringen beschikbaar zijn. Op deze data is een ophoogfactor van toepassing omdat het geen gecontroleerde data betreft.”

Glaswol toegepast in woningbouwproject voor duurzame isolatie

Toepassing van glaswol in de woningbouw.

Van 11 naar 19 milieu-impact categorieën

De Milieuprestatie Gebouw (MPG) wordt vastgesteld op basis van een weging naar zwaarte van elf impact categorieën. Dat zijn bijvoorbeeld uitputting van grondstoffen, aantasting ozonlaag, klimaatsverandering, verzuring en vermesting. Tot 2019 bestond de set uit elf impact categorieën, aangeduid als ‘set A1’ (EN15804+A1). Met de herziening van de norm (EN 15804+A2) is een nieuwe set aangewezen met negentien milieu-impact categorieën (set A2, zie Tabel 1). Daarbij is bijvoorbeeld klimaatverandering uitgesplitst van één totaalindicator naar vier deelindicatoren (totaal / fossiel / biogeen / land use change). Bovendien zijn enkele nieuwe indicatoren toegevoegd, waaronder fijnstofemissies, landgebruik en ioniserende straling.

Rogier: “Sinds 2 september 2024 is de A2 set beschikbaar naast de A1 set in de rekeninstrumenten, zodat de markt zich kan voorbereiden. Op 9 april 2025 vond ‘Klimaatakkoord Gebouwde Omgeving’ overleg plaats, waarin onder andere de mogelijke wijziging van het MPG-stelsel werd besproken. Uit de overlegstukken blijkt dat de inwerkingtreding van het nieuwe stelsel op zijn vroegst op 1 april 2026 zal plaatsvinden. De MPG-grenswaarden voor woningen en appartementen worden aangepast naar 1,6. Dat lijkt vreemd, omdat die waarde nu nog maximaal 0,8 is, maar deze stijging neemt alleen al toe door de uitbreiding van het aantal milieu-impactcategorieën van elf naar negentien. Daarnaast gaan CO2-emissies zwaarder meewegen in de uitkomst van de milieuprestatie berekening. Zo is de weegfactor van GWP (Kg/CO2 e.q) van € 0,05 naar € 0,116 gegaan. De MKI van producten gebaseerd op EN15804+A2 is hierdoor hoger. Ondanks deze stijging, is het jammer en een gemiste kans voor de bouw om de MPG niet aan te scherpen.”

“Om te beoordelen hoe duurzaam een product is, is het belangrijk om naar alles fases te kijken van de levenscyclus. Er zijn producten die in de productiefase een lagere milieu-impact hebben, maar een hoge milieu-impact in sloop -en verwerkingsfase (fase C), en andersom. We hebben te maken met verschillende doelstellingen”, aldus Rogier. “In 2050 wil de overheid naast 90% minder broeikasgassen ten opzichte van 1990, ook een volledige circulaire economie hebben. Dan moet je dus nu al nadenken over de mogelijkheden om producten in een nieuw gebouw straks te kunnen hergebruiken of recyclen.”

Ook in Europees verband worden CO2-emissies steeds belangrijker. Rogier: “De CO2-uitstoot over de gehele levenscyclus van een gebouw, zowel energie- als materiaalgebonden, wordt uitgedrukt in ‘Whole Life Carbon’ (WLC). Vanuit de nieuwe Europese energieprestatierichtlijn EPBD IV wordt een WLC-berekening waarschijnlijk vanaf 2028 voor grotere gebouwen verplicht.”

Milieubelasting biobased

Na deze uitleg komt Rogier terug op het onderzoek van Natuur & Milieu in samenwerking met ASN Bank: “Ik lees dan dat bij productie van biobased isolatie minder CO2 wordt uitgestoten, dan bij de traditionele isolatiematerialen. De CO2-uitstoot hoort bij de impactcategorie ‘Klimaatsverandering – GWP’ (Global Warming Potential, red.). Bij de productie van houtvezelisolatie wordt echter per m2 isolatie méér CO2 uitgestoten dan bij een m2 glas -of steenwol. Dat is te zien in de ongewogen impact categorie GWP fossiel. Dat komt doordat er stoom nodig is om de houtvezels uit elkaar te blazen en dat kost veel energie. Waarom biobased isolatie in de productiefase vaak toch een lagere milieu-impact heeft, komt vanwege de biogene opslag. Dit mag worden verrekend in deze fase. Vervolgens worden de vezels met een PE-bindmiddel gebonden. Juist dat PE-bindmiddel beperkt de mogelijkheden tot recycling. PE kun je namelijk niet losmaken van de isolatievezels. Biobased isolatiematerialen die worden aangeboden als plaat of rol, bevatten PE-bindmiddel. Die kun je na afloop alleen verbranden of het vergaat omdat het wordt gestort. Dan komt de CO2 alsnog vrij en dat zie je dan ook terug in fase C. Kijk dus vooral naar alle fasen!”

Nieuwe hybride glasoven van Isover in Etten-Leur voor duurzamere glaswolproductie

[Bs] Nieuwe hybride glasoven in de glaswolfabriek in Etten-Leur. Dit is ‘s werelds eerste hybride glasoven met tot 50% elektrische verwarming, ook wel boosting genoemd. De vermindering van het gasverbruik en de CO2-uitstoot van de oven is 55% en de totale CO2-uitstoot van de fabriek neemt met 20% af gedurende de eerste tien jaar.

Milieubelasting minerale wol

Minerale wol heeft een zwaartepunt in de productiefase en is volledig recyclebaar. Gezien de impact in de productiefase heeft Saint-Gobain flink geïnvesteerd in de glaswolfabriek in Etten-Leur, goed voor miljoenen vierkante meters glaswol per jaar: “Vorig jaar is de verouderde oven vervangen door een hybride exemplaar. Deze oven is uniek in zijn soort, omdat dit op de wereld de eerste hybride glasoven is met tot 50% elektrische verwarming, ook wel boosting genoemd. De vervanging draagt bij aan een duurzamere glaswolproductie. De oude oven werd volledig met gas verwarmd. De nieuwe oven resulteert daardoor in een vermindering van de CO2-uitstoot van de oven met 55% en de totale CO2-uitstoot van de fabriek met 20% gedurende de eerste tien jaar. De vermindering van het gasverbruik van de oven is 55% en het totale energieverbruik van de oven is gedaald met 26%. We blijven verbeteren, met het oog op de doelstellingen voor 2030 en 2050.”

Ook op andere fronten wordt de milieubelasting verminderd: “We bedrukken nog maar maximaal 10 % van het oppervlak van verpakkingen. Hierdoor kan een transparante verpakking weer gerecycled worden tot een transparante verpakking. Verder halen we rest- en snij-afval van glaswol op bij timmerfabrieken en bouwplaatsen.”

Transparante verpakking van glaswol, maximaal 10% bedrukt voor betere recycling

Nog maar maximaal 10 % van het oppervlak van verpakkingen wordt bedrukt. Hierdoor kan een transparante verpakking weer gerecycled worden tot een transparante verpakking.

Er zijn nog meer duurzame noviteiten, zoals een ammoniakvrije biobased binder, die wordt toegepast in glaswol die binnen wordt toegepast, zoals bij houtskeletbouw en renovatieprojecten. Eventuele jeuk behoort hierdoor ook tot het verleden. “We zijn bezig met de ontwikkeling om die binder ook toe te passen in bijvoorbeeld spouwmuurisolatie. Tot slot bestaat inmiddels meer dan 50% van het gewicht van glaswol uit gerecycled glas en/of rest- en snijafval uit timmerfabrieken of onze eigen productie.”

Rogier besluit: “Iedere fabrikant is wel bezig met vergroening. De tijd van ergens een groen plaatje op plakken is echt verleden tijd. Het gaat om aantoonbare duurzaamheid. Die krijg je alleen via een milieuprestatieberekening waarin alle impact milieucategorieën en levensfasen worden meegenomen. Anders ga je appels met peren vergelijken. En daarmee verduurzamen we bouw niet.”

 

Milieu-impactcategorie Indicator Eenheid
Klimaatverandering – totaal GWP-totaal kg CO2-eq.
Klimaatverandering – fossiel GWP-fossiel kg CO2-eq.
Klimaatverandering – biogeen GWP-biogeen kg CO2-eq.
Klimaatverandering – landgebruik en verandering in landgebruik GWP-luluc kg CO2-eq.
Ozonlaagaantasting ODP kg CFC11-eq.
Verzuring AP mol H+-eq.
Vermesting zoetwater EP-zoetwater kg P-eq.
Vermesting zeewater EP-zeewater kg N-eq.
Vermesting land EP-land mol N-eq.
Smogvorming POCP kg NMVOC-eq.
Uitputting van abiotische grondstoffen, mineralen en metalen ADP-mineralen & metalen kg Sb-eq.
Uitputting van abiotische grondstoffen, fossiele brandstoffen ADP-fossiel MJ, net cal. val.
Watergebruik WDP m3 world eq. deprived
Fijnstof emissie Ziekte door PM Ziekte-incidentie
Ioniserende straling Humane blootstelling kBq U235-eq.
Ecotoxiciteit (zoetwater) CTU ecosysteem CTUe
Humane toxiciteit, carcinogeen CTU humaan CTUh
Humane toxiciteit, non-carcinogeen CTU humaan CVUh
Landgebruik gerelateerde impact / bodemkwaliteit Bodemkwaliteitsindex Dimensieloos

Tabel 1.